Parels

Ik geef je een stukje “persoonlijk van mij”, omdat je mij hebt weten te raken door het zijn van wie jij bent. De warmte waarmee je mij erkent, de puurheid waar mijn oude ik voor wegrent en de rust die je neemt stilt de onrust die in mij jent.

Als een woedende storm raast het leven soms door mij heen. Vroeger, nu en later komen op de meest ondenkbare momenten bijeen. Besluiten te vergaderen over de verschillen, maar oh wat hebben we toch ook veel gemeen.
Ik vind het vooral gemeen, als zeurende kiespijn, als constante ruis.

Maar mensen als jij, dansen af en toe voorbij. Vredig en lief, zo blaas jij de razende bui even opzij. Heldere ogen kijken mij aan. Kijken mij in. Blijven niet voor een gesloten deur staan, wachten niet tot ik met mijn verzet win.

Als parels, met prachtige schittering.

“Ik moet je kleur bekennen”

Wanneer ik me omgeef in het licht van de ochtendnevel kijk ik je aan. Je bent in de verte niet te zien, maar toch zie ik de glinstering van je ogen. Je krullende mondhoeken wanneer je glimlacht.
Ik zie de bladeren om je heen opstijgen wanneer je loopt.

De ochtendnevel is wit en ik moet je kleur bekennen. Het is moeilijk om je te blijven zien door de witte waas heen, ondanks dat het schoonheid met zich meebrengt. Want de kleur die ik voel is zo donker als zwart maar zo diep als rood.

Zoals de kleine waterdruppeltjes zich in de lucht begeven, begeeft ook jouw aangezicht, jouw beeld zich in mijn gedachten. Ze zweven in mijn gedachten en trekken langzaam weg. Zoals de dauw wanneer ze haar werk voltooid heeft, vertrekt, voel ik dat jij je weg gaat.

Alleen laat je me, op klaarlichte dag. De witte waas is weg, de schoonheid ook. Wat achterblijft is realiteit. Opgehelderd weliswaar, en ik zie weer, maar jou niet meer.

Spinsels

Ik wik en ik weeg
Over hoe en waarom
Halfvol of halfleeg
Is’t logisch of krom?

Mijn spinsels nemen
Een loopje met mij
Het is als ramen zemen
Met regen daarbij

Eenmaal weggeveegd
Begint het van voor af aan
Alsof je voor niks beweegt
En alles voor niets hebt gedaan

Zo voelt het vaak
Met de spinsels in ons hoofd
Eenmaal raak;
Van alle logica beroofd.

Iets minder dat niets

Follow my blog with Bloglovin

Ze keek me aan en lachtte
Ik vroeg me af
Of we hetzelfde dachten.

Over toen en lang geleden.
Herinneringen blijvend,
Waarvan we het uitspreken meden.

Want eens gezegd is blootgesteld,
Aan het gemis, dat niet te missen is.
Aan de tijd die lege dagen telt.

Dus zeiden we wel iets,
Maar lieten elkaar achter,
Met iets minder dan niets.

‘Thuis’ was zijn doel

World press photo; over pas vrijgelaten onschuldige gevangenen/vluchtelingen.

Verwonderd kijkt hij om zich heen. Net vrijgelaten uit de meest vreselijke nachtmerrie ooit. Hij voelt nog geen blijdschap, nog geen verlichting. Alsof hij het nog niet mag voelen, want stel je eens voor dat het toch niet waar is wat er zojuist gebeurd is. Dat dit een droom is, een onderdeel van de meest enge nachtmerrie?

Terwijl hij terugdenkt aan wat er de afgelopen periode van zijn leven allemaal gebeurt is, aan wat hij heeft gevreesd en aan wat hij is verloren biggelen de tranen over zijn wangen naar beneden. De druppels vallen op de grond en vermengen zich met het zand waarin hij onbewogen staat.

Langzaam aan wordt hij zich gewaar van de mensen die verspreid om hem heen staan. Sommigen beduusd en stil en anderen erg emotioneel. Langzaam aan begint hij zich te beseffen dat hij zo snel mogelijk in contact moet komen met het thuisfront.

Zijn geliefden, zijn vrienden, hij moet ze zien te bereiken. Maar hoe?
Hij begint te lopen en dan begint hij te rennen. De vrijheid tegemoet. Alsof hij achtervolgd wordt, zo hard rent hij. Niks houd hem tegen tot hij op een gegeven moment zo ver heeft gerend en buitenadem tot stilstand komt. De zweetdruppels lopen over zijn rug naar beneden en de zon brand fel op zijn gebruinde huid.

Hij breekt. Dit was het moment waar hij altijd naar had uitgekeken, het vrijgelaten worden en geen gevangene meer hoeven zijn, maar het valt hem zwaar. Hoewel hij zich hier geestelijk op voorbereid had dringt het nu echt tot hem door dat hij nog een lange weg te gaan heeft. Zijn doel was zijn thuis, en thuis was zijn doel. Maar of hij dat doel ooit gaat bereiken is nog maar de vraag.

Inkt

De inkt is zwart opgedroogd op het witte papier.
Mijn woorden dienen het lege vel van repliek.
Zo bleek als het was, zo gekleurd het nu ziet.

Al is wit geen kleur en zwart evenmin,
voegt het toch iets toe dankzij elke geschreven zin.
Want waar woorden zijn, is gevoel.
En de inkt legt vast wat ik bedoel.

Met mijn gesproken woord,
Komt geen man overboord
Terwijl mijn hart een verhaal vertellen wil
Daarom schrijf ik, vertellend, maar in werkelijkheid stil.

Omwille van de band

Omdat hetzelfde bloed door hun aderen rent zijn ze verbonden. Verbonden aan elkaar voor altijd. Om deze rede zoeken ze toevlucht tegen het onweer die de boze buien met zich meebrengt. Omwille van de band, houden ze symbolisch hun neuzen dezelfde kant op. Alsof het nooit anders is geweest. Die band, die zo graag gewilde band, hebben ze nooit gehad.

Nooit gehad.

Ze hebben hun neuzen dezelfde kant op gezet, geforceerd, omdat hun harten het niet konden. Ze zeggen niets, omdat hun lippen niet anders kunnen. Ze wenden hun ogen af, wanneer ze elkaar kruisen.
Tegen de regen zijn ze bestand, door te vluchten. Ze rennen zo hard ze kunnen tot ze een droge plek vinden. Weg van de regenbui, die ellenlang kan duren. Daar waar het zo droog is, dat het zelfs lijkt alsof het gestopt is te regenen.
Veilig tegen de druppels zitten ze daar.

Ver weg van elkaar.

Het is goed, want zolang als het regent kunnen zij niet samen zijn. Zolang de donder klinkt en de flits verschijnt is het goed dat hij uit haar zicht verdwijnt. Hoewel de lucht blauw kan zijn, kunnen ze elkaar niet luchten of zien. Helder als het is lijkt er altijd een onheilspellende bui tussen hen in te hangen. Alsof het niet anders kan.