Woorden worden zinnen – 11/06/17

We kijken naar de tafel waar we aan zitten. Je gaat met je vingers langs de groeven in het hout en ik teken de kringen van de koffiekopjes na. Het is een lastig gesprek, maar het is de bedoeling dat er een last van ons afvalt. Dat we de cirkel doorbreken. We kunnen elkaar niet aankijken en hoewel de tafel tussen ons in noodzaak is, is het een aangename afleiding in een ruimte waarin elkaars aanwezigheid de hele kamer lijkt op te vullen.

We kijken naar beneden en hoewel we in onszelf gekeerd zijn zegt onze houding meer dan 1000 woorden vertellen kunnen. Verhalenvertellers zijn we, behalve naar elkaar toe. We spreken boekdelen zolang ons eigen boek gesloten is. We dichten alles aan elkaar totdat we hermetisch afgesloten zijn. We ontnemen onszelf de lucht om adem te halen.
En als we dan moeten praten, moet er eerst afgebroken worden. Door alle lagen heen, tot de scherven er bij liggen. En als we dan de puin gaan ruimen, laten we dan dit keer het bloed aan onze handen niet verbergen, laten we niet lijmen wat niet te lijmen valt. Want onze dichtgeplakte wonden zijn niet geheeld en wij zullen nooit helen zolang we dichten, maar niet vertellen.

Inmiddels tikt de tijd ver voorbij de vergane jaren waarvan ik dacht de tijd nog in te mogen halen.

Maar zoals ons lichaam broodnodig zuurstof nodig heeft om te leven, heeft ons systeem woorden nodig om woorden te geven. Dus ik spreek over stilte in voltooid verleden tijd. Want toen ik woorden inslikte vergiftige ik mezelf van binnen: het was een strijd met enkel verliezers.

Woorden wegen meer dan oceanen dragen kunnen en ze zullen meer harten doordringen dan golven de zee rust gunnen, dus dan verbind ik toch graag de woorden tot zinnen.
Ik vul de gaten op met liefde, ik laat de stiltes soms bestaan. Ik raak de rauwe randjes aan. Het helpt me soms bezinnen.

Woorden die als verborgen sterren plots beginnen te schijnen. Lijnen licht door het duister stralen. Uitgesproken woorden doen licht verhalen.

En daar zitten we dan weer. Tegenover elkaar, en ik wacht. Stilte kan soms dwingend zijn, en tijd eindeloos. Je kijkt me niet aan, maar kijkt naar binnen. Hoewel de stilte je niet aan lijkt de staan weet je toch te beginnen. Het was laat in de avond en ik gaf je alle ruimte. In de ruimte zijn de sterren en
sterren overwinnen. In ’t donker van de avond schenk jij je woorden leven en zoals wanneer sterren schijnen zijn we door verlichting omgeven. Ik haal weer adem, ik haal adem uit jouw woorden. Ik ademde meer lucht in sinds ingeslikte woorden mijn luchtwegen niet meer smoorden.

Advertenties

Winstrijd

Verlies je jou?
Verlies je mij?
Verlies je nu ons allebei?

Verlies je wel?
Verlies je niet?
Of win je nu alleen verdriet?

Weet je ‘t wel?
Dat ik niet winnen wil?
Want zonder jou is ’t veel te stil.

Parels

Ik geef je een stukje “persoonlijk van mij”, omdat je mij hebt weten te raken door het zijn van wie jij bent. De warmte waarmee je mij erkent, de puurheid waar mijn oude ik voor wegrent en de rust die je neemt stilt de onrust die in mij jent.

Als een woedende storm raast het leven soms door mij heen. Vroeger, nu en later komen op de meest ondenkbare momenten bijeen. Besluiten te vergaderen over de verschillen, maar oh wat hebben we toch ook veel gemeen.
Ik vind het vooral gemeen, als zeurende kiespijn, als constante ruis.

Maar mensen als jij, dansen af en toe voorbij. Vredig en lief, zo blaas jij de razende bui even opzij. Heldere ogen kijken mij aan. Kijken mij in. Blijven niet voor een gesloten deur staan, wachten niet tot ik met mijn verzet win.

Als parels, met prachtige schittering.

“Ik moet je kleur bekennen”

Wanneer ik me omgeef in het licht van de ochtendnevel kijk ik je aan. Je bent in de verte niet te zien, maar toch zie ik de glinstering van je ogen. Je krullende mondhoeken wanneer je glimlacht.
Ik zie de bladeren om je heen opstijgen wanneer je loopt.

De ochtendnevel is wit en ik moet je kleur bekennen. Het is moeilijk om je te blijven zien door de witte waas heen, ondanks dat het schoonheid met zich meebrengt. Want de kleur die ik voel is zo donker als zwart maar zo diep als rood.

Zoals de kleine waterdruppeltjes zich in de lucht begeven, begeeft ook jouw aangezicht, jouw beeld zich in mijn gedachten. Ze zweven in mijn gedachten en trekken langzaam weg. Zoals de dauw wanneer ze haar werk voltooid heeft, vertrekt, voel ik dat jij je weg gaat.

Alleen laat je me, op klaarlichte dag. De witte waas is weg, de schoonheid ook. Wat achterblijft is realiteit. Opgehelderd weliswaar, en ik zie weer, maar jou niet meer.

Spinsels

Ik wik en ik weeg
Over hoe en waarom
Halfvol of halfleeg
Is’t logisch of krom?

Mijn spinsels nemen
Een loopje met mij
Het is als ramen zemen
Met regen daarbij

Eenmaal weggeveegd
Begint het van voor af aan
Alsof je voor niks beweegt
En alles voor niets hebt gedaan

Zo voelt het vaak
Met de spinsels in ons hoofd
Eenmaal raak;
Van alle logica beroofd.

Iets minder dat niets

Follow my blog with Bloglovin

Ze keek me aan en lachtte
Ik vroeg me af
Of we hetzelfde dachten.

Over toen en lang geleden.
Herinneringen blijvend,
Waarvan we het uitspreken meden.

Want eens gezegd is blootgesteld,
Aan het gemis, dat niet te missen is.
Aan de tijd die lege dagen telt.

Dus zeiden we wel iets,
Maar lieten elkaar achter,
Met iets minder dan niets.

‘Thuis’ was zijn doel

World press photo; over pas vrijgelaten onschuldige gevangenen/vluchtelingen.

Verwonderd kijkt hij om zich heen. Net vrijgelaten uit de meest vreselijke nachtmerrie ooit. Hij voelt nog geen blijdschap, nog geen verlichting. Alsof hij het nog niet mag voelen, want stel je eens voor dat het toch niet waar is wat er zojuist gebeurd is. Dat dit een droom is, een onderdeel van de meest enge nachtmerrie?

Terwijl hij terugdenkt aan wat er de afgelopen periode van zijn leven allemaal gebeurt is, aan wat hij heeft gevreesd en aan wat hij is verloren biggelen de tranen over zijn wangen naar beneden. De druppels vallen op de grond en vermengen zich met het zand waarin hij onbewogen staat.

Langzaam aan wordt hij zich gewaar van de mensen die verspreid om hem heen staan. Sommigen beduusd en stil en anderen erg emotioneel. Langzaam aan begint hij zich te beseffen dat hij zo snel mogelijk in contact moet komen met het thuisfront.

Zijn geliefden, zijn vrienden, hij moet ze zien te bereiken. Maar hoe?
Hij begint te lopen en dan begint hij te rennen. De vrijheid tegemoet. Alsof hij achtervolgd wordt, zo hard rent hij. Niks houd hem tegen tot hij op een gegeven moment zo ver heeft gerend en buitenadem tot stilstand komt. De zweetdruppels lopen over zijn rug naar beneden en de zon brand fel op zijn gebruinde huid.

Hij breekt. Dit was het moment waar hij altijd naar had uitgekeken, het vrijgelaten worden en geen gevangene meer hoeven zijn, maar het valt hem zwaar. Hoewel hij zich hier geestelijk op voorbereid had dringt het nu echt tot hem door dat hij nog een lange weg te gaan heeft. Zijn doel was zijn thuis, en thuis was zijn doel. Maar of hij dat doel ooit gaat bereiken is nog maar de vraag.